Vakantie… ik wilde alleen maar ontspannen
Ik was vóór vertrek al heel duidelijk.
Of eigenlijk: vanaf de eerste hittegolf van deze zomer.
Als het 40 graden is op de camping, gaan we niet.
Jammer dan.
Boekingskosten.
Vooruitbetaalde camping.
Vakantieplanning.
Allemaal leuk en aardig.
Maar ik ga niet vrijwillig drie weken liggen garen naast een caravan.
In eerste instantie probeerde ik het nog subtiel te brengen.
“Misschien moeten we onze bestemming toch een beetje heroverwegen als het daar zo warm blijft?”
Heel voorzichtig.
Vorig jaar waren we tenslotte ook al een camping ontvlucht vanwege een hittegolf.
Maar naarmate de zomer vorderde en ik steeds meer beelden zag van kurkdroge landschappen, bosbranden en mensen die letterlijk wegsmolten van de hitte, werd mijn boodschap duidelijker.
“No way dat wij naar het zuiden gaan als het daar nog steeds zo heet is.”
Dan maar geen vakantie.
Nou ja…
Dan maar een andere vakantie.
Een paar dagen voor vertrek lag ik immers zelf nog met 39,5 graden koorts in bed.
En terwijl ik daar lag te zweten, zag ik op mijn telefoon de temperatuur in Zuid-Frankrijk.
39,5 graden.
Ik keek nog eens.
39,5.
Precies dezelfde temperatuur als mijn lijf!
Ik moest ineens aan Bert Visscher denken.
Waarom zou je in vredesnaam vrijwillig naar een plek gaan waar het net zo warm is als wanneer je ziek in bed ligt?
Thuis had ik het tenslotte prima.
Een koel huis.
Mijn eigen bed.
Een douche.
Alles binnen handbereik.
Dan ga ik toch niet naar Zuid-Frankrijk om daar hetzelfde te doen, maar dan in een caravan?
Gelukkig was er ook goed nieuws.
Ik speurde Franse nieuws- en weersites af alsof ik een internationale crisis aan het managen was.
En zowaar:
het einde van de hittegolf kwam in zicht.
Kijk.
Dat hielp.
Het plan werd dus: vooral rustig aan doen onderweg en pas naar het zuiden als de ergste hitte voorbij was.
We zouden daarom immers eerst een paar dagen in Limburg blijven hangen.
Prima plan.
Rustig.
Overzichtelijk.
Niet te warm.
Tot de brand in België roet in het eten gooide.
Letterlijk.
De brandlucht hing in de lucht en ik merkte dat mijn hoofd daar meteen van alles van vond.
Brandlucht.
Droogte.
Bos.
Wind.
Vonk.
Crisiscoördinator aan.
Nee.
Dit voelde niet goed.
Dus het plan werd aangepast.
De volgende dag gingen we verder.
Mijn gezicht was inmiddels gelukkig weer iets minder opgezwollen.
Ook winst.
Ik ging op zoek naar een leuke camping.
Niet te warm.
Dat was inmiddels ongeveer het enige criterium.
Al snel werd duidelijk:
boven Lyon blijven.
Daaronder hing nog steeds een soort oven.
Ik dacht:
Kom op Habing. Doe eens avontuurlijk.
Niet meteen weer zo’n keurige ANWB-over-nachtingscamping waar alles netjes is geregeld.
Je bent nog geen zestig.
Een caravan is al erg genoeg.
Dus ik vond een idyllisch meertje.
Een soort Franse versie van het Hemelriekje bij ons in Gasselte.
Mooi water.
Groen eromheen.
Klinkt goed.
Dit ging hem worden.
We verlieten de snelweg en werden door de navigatie steeds verder over kleinere weggetjes gestuurd.
Ik keek mijn man aan.
“Komt dit wel goed?”
Nog een bocht.
Nog een smal weggetje.
Nog een bocht.
De caravan achter ons begon inmiddels een eigen mening te krijgen over deze route.
Maar uiteindelijk bereikten we een slagboom.
Er was een soort receptie.
En de ingang zag eruit alsof we een attractiepark binnenreden.
Poortjes.
Hekjes.
Toegangssystemen.
Ik dacht nog:
Wat hebben we nou weer gevonden?
Dat bleek later allemaal voor de dagjesmensen te zijn.
Het was namelijk niet alleen een camping.
Het was ook een soort zwemvijver waar mensen een dagje konden komen recreëren.
Ik stapte uit de auto.
En wist het meteen.
Het was hier nog steeds loeiheet.
Mijn weerapp had tijdens de reis bovendien ieder uur vrolijk een graadje bij de temperatuur opgeteld.
Ik vroeg in mijn beste steenkolen-Frans aan de jongedame bij de receptie waarom het hier in vredesnaam zo warm was.
Dit stond toch echt niet in de voorspelling?
Ze keek me vriendelijk aan.
Het lag aan de wind.
Die was gedraaid.
Naar het zuiden.
Ah.
Natuurlijk.
De wind.
Die had ik even niet meegenomen in mijn crisisanalyse.
Kalm blijven, Bianca.
Vooral geen opvlieger krijgen.
Maar eerlijk is eerlijk.
Het was een prachtige plek.
Een mooi watertje.
Best idyllisch.
Alleen…
Het water.
Dat was warm.
Niet lekker warm.
Meer:
waarom voelt dit alsof iemand de thermostaat van deze “badkuip” heeft aangezet?
Ik durfde er niet eens vol enthousiasme in te springen.
Want ik zag nergens een bordje waarop stond dat het water recent gecontroleerd was.
En natuurlijk dacht mijn hoofd meteen:
Straks heb ik naast een dik oog ook nog zwemmersjeuk.😉
Gelukkig was er een restaurantje.
Nou ja…
Restaurantje.
Er stonden plastic tafels en stoelen en er werd eten geserveerd.
Maar op dat moment gold:
alles beter dan zelf koken.
Ik was inmiddels ongeveer om mijn stoel heen gesmolten.
Alles wat aan een menselijk lichaam kan hangen, hing.
Mijn haar zat plat tegen mijn hoofd.
Gewoon…
doorweekt.
Ik zag eruit alsof ik net uit een zwembad was gekropen.
En ik dacht, gewoon rustig blijven.
Dit is vakantie.
Het oorspronkelijke plan was om ook hier even te blijven.
Een paar dagen wachten tot het in het echte zuiden wat verder was afgekoeld.
Maar toen keek ik eens goed om me heen.
Dorre bosschages.
Droog gras.
Warmte.
Wind.
En ik dacht:
wat gebeurt hier als er één vonkje bijkomt?
Op de plattegrond stonden al verdacht veel brandblussers.🧯
Mijn crisiscoördinator stond inmiddels niet meer aan.
Hij stond te gillen.
Daar kwam nog bij dat er ’s nachts geen personeel aanwezig was.
We kregen een telefoonnummer van een soort lokale boswachter die gebeld kon worden als er iets aan de hand was.
Ja hoor.
Dat stelde me enorm gerust.
Een telefoonnummer.
Voor als het bos in brand stond. Of als iemand een hartinfarct heeft?
De volgende ochtend vertrokken we dus met gierende banden.
Nou ja…
Met gierende caravanbanden dan.
Op naar de vertrouwde camping.
Het echte zuiden.
Volgens de weerapp was het daar inmiddels afgekoeld.
Naar…
35 graden.
Gevoelstemperatuur door de wind:
33 graden.
Ik keek naar mijn man.
“Dat ga ik overleven.”
Twee dagen.
Meer hoefde niet.
Ik zou mezelf afwisselend onderdompelen in het zwembad en de zee.
En daarna gewoon doen alsof dit allemaal onderdeel was van het vakantiegevoel.
Dus niks rustig afzakken naar het zuiden.
Geen idyllische tussenstops meer.
Geen avontuurlijke Franse meertjes.
Geen kleine weggetjes waarvan je je afvraagt of je caravan er überhaupt doorheen past.
Sleurhut aangekoppeld.
En in één rechte lijn naar onze bestemming.
Mijn tweede thuis.
Want eerlijk is eerlijk…
vakantie is leuk.
Maar soms is het toch vooral heel fijn om eindelijk weer op de plek te zijn waar je eigenlijk al naartoe wilde, waar het als thuis voelt. En waar mijn crisiscoördinator hopelijk een paar dagen zijn mond houdt.
Hopelijk.

Nb Er waren wel voldoende brandblussers aanwezig. Plattegrond stond er in ieder geval vol mee 😉👍🏻
