C’est fini
In alle vroegte nog één keer een snelle blik op het strand.
Tot volgend jaar, hoop ik.
Het plan is eenvoudig: onze dochter afzetten bij het vliegveld en daarna beginnen ook wij aan de terugreis.
Eigenlijk zouden we nog een dag blijven.
Maar de vooruitzichten waren niet bepaald uitnodigend. Morgen opnieuw dikke buien.
Dus die ene dag maar niet afwachten.
En eerlijk is eerlijk: samen uit, samen thuis.
Althans… dat was het plan.
Want natuurlijk keek ik alweer op Buienradar.
En natuurlijk had ik alweer een paar stevige onweersbuien gespot. Onder andere eentje bij Parijs.
En laat onze dochter nou net een tussenlanding hebben in Parijs.
Jan Paniek maakte zich uiteraard alweer druk.
Gelukkig was er ook gewoon een oplettende piloot. 😉 Dat leverde helaas wel de nodige vertraging op, maar uiteindelijk kwam ze via Parijs veilig aan in Amsterdam.
Wij reden ondertussen met de buienlijn mee naar het noorden.
Of eigenlijk: wij reden de buien achterna én probeerden ze tegelijkertijd te ontwijken.
Een soort Tour de France, maar dan met een caravan en Buienradar als ploegleider.
We pasten ons tempo aan. Niet te snel, want dan zouden we midden in de bui terechtkomen.
Ik zag rechts van ons, bij Lyon, een enorme zwarte lucht aankomen.
Niet veel later las ik dat een enorme hagelbui daar in no-time een complete ravage had aangericht en auto’s met kapotte ruiten achterliet.
Kijk…
ik ben dus zo gek nog niet.
Daar zat ik met mijn live Buienradar als een soort stormchaser.
Of beter gezegd:
storm-ontwijker.
Richting het noorden.
Toen het weer uiteindelijk wat rustiger werd, kwam de rijderswissel.
Mijn beurt.
Ik had inmiddels alweer zoveel vertrouwen opgebouwd dat ik dacht: kom maar op.
Hoewel rijden met een caravan toch nét even iets anders is dan met een vouwwagen.
Maar het ging eigenlijk hartstikke mooi.
Tot de tolpoortjes.
Man man man.
Wat zijn die dingen smal.
Met een caravan erachter voelt zo’n tolpoortje ineens alsof je met een vrachtwagen door de brievenbus moet.
Zweet in de bilnaad.
Maar goed. Ook dat overleefd.
Het oorspronkelijke plan was om halverwege Frankrijk ergens neer te strijken.
Pootjes uit.
Stokbroodje erbij.
Glaasje wijn.
Beetje vakantiegevoel vasthouden.
Maar ja…
De ene bui na de andere.
En de voorspellingen voor de volgende dag waren ook niet bepaald om vrolijk van te worden.
Dus besloten we maar door te rijden.
Weer een rijderswissel.
En toen ging bij mij de calculator aan.
Waar zijn we rond 18.00 uur als we dit tempo vasthouden?
De rekensom kwam uit op Luxemburg.
En eerlijk gezegd: eerder droog zou het toch niet worden.
Dus op zoek naar een camping.
Dat klinkt simpel.
Dat is het niet.
Met twee telefoons, slechte verbinding en een website die blijkbaar vond dat wij eerst een volledige levensgeschiedenis moesten invullen, probeerden we een doorreiscamping te boeken.
We belden uiteindelijk maar.
“Ja hoor, plek genoeg. Als u online even boekt, zetten wij alles klaar.”
Prima.
Dus opnieuw online.
Gegevens invullen.
Geen bereik.
Opnieuw.
Pagina eruit.
Nog een keer.
Nog meer gegevens.
Ik hoefde mijn kledingmaat en schoenmaat nog net niet door te geven.
Maar goed.
Na ongeveer zes pogingen was het gelukt.
Camping geboekt.
Uitwijk tot 20.00 uur.
We konden door.
Bij Luxemburg-stad rechtsaf.
Linksaf.
Kruipdoor.
Sluipdoor.
Boerenweggetje.
Nog een bocht.
En nog één.
Hoezo een doorreiscamping?
Na ongeveer een uur rijden, 60 kilometer en een verzameling tunnels, haarspeldbochten en weggetjes waarvan ik me afvroeg of Google Maps ons niet stiekem naar een kabouterdorp stuurde, waren we er.
En eerlijk is eerlijk:
Het was het waard.
Een schattige camping.
Een waar walhalla voor kleine kinderen.
Alleen…
Het was koud.
Ik bedoel écht koud.
Overal mensen in fleecetruien.
De afgelopen nacht was het bij ons niet kouder geweest dan ongeveer 25 graden.
Hier was het…
16 graden.
Zestien!
Ik zag mensen rondlopen alsof ze zojuist uit een expeditie naar de Noordpool waren teruggekeerd.
Maar er was een leuk restaurant.
We aten lekker.
En we sliepen heerlijk.
Voor het eerst deze vakantie lag er weer een deken over het bed.
En de volgende ochtend sloeg de realiteit toe.
Nat gras.
Mannen in pyjama’s over de camping.
En ineens wist ik het weer.
Dáárom rijden wij ieder jaar zo’n klere-eind naar het zuiden.
Bij het ontbijt begonnen we voorzichtig plannen te maken.
“Wat gaan we doen?” vroeg ik vrolijk.
Mijn man keek me aan.
Hij had het allang door.
“Je wilt naar huis hè?”
Heel eerlijk?
Ja.
Geen zin om nog een paar dagen in de regen te staan.
Lekker naar huis.
Tijd om op te knappen.
Want helemaal hersteld van de zomergroep waar dit hele vakantieverhaal mee begon, was ik eigenlijk nog steeds niet.
Dus na een ontbijtje en een kleine toeristische route reden we uiteindelijk verder naar het noorden.
En aan het eind van de dag stond de caravan weer op de oprit.
Eind goed, al goed.
En toch…
Er is iets vreemds gebeurd tijdens deze vakantie.
Normaal ben ik degene die na twee weken zegt:
“Zo. Leuk geweest. Nu wil ik naar huis.”
Maar dit jaar betrapte ik mezelf ineens op een heel andere gedachte.
Misschien…
Heel misschien…
wil ik volgend jaar wel wat langer.
Twee en halve week?
Wie weet.
We gaan het zien.
Want als zelfs ik, de vrouw die na twee weken vakantie spontaan heimwee krijgt naar de eigen oprit, dit nu hardop durf te zeggen…
dan weet je:
er is iets veranderd.
Dus wie weet…
wordt het volgend jaar geen C’est fini na twee weken.
Maar:
À suivre… 🇫🇷☀️
Wordt vervolgd. 😉

